Ik schreef dit korte verhaal als audiotour bij de bibliotheek van het Rijksmuseum. Wil je de zoetgevooisde versie horen? Klik dan hier.

Een dikke traan viel in het nasmeulende hoopje as, dat geschrokken uit elkaar spatte op de stenen vloer.

“Door het vele staal en de terrazzo vloer had de architect een relatief brandvrije ruimte gemaakt.” Bert had het opgevangen tijdens een korte rondleiding op zijn eerste werkdag. Hij wist op dat moment dat hij de bibliotheek moest doen.

Nog voor hij er ook maar één tafel had afgenomen, was hij driftig door de ruimte gestruind. Want brandvrij of niet, natuurlijk had de bibliotheek inmiddels een rookmelder en camera’s. Dus natuurlijk had Bert zijn twintig jaar ervaring in ‘bedrading en aansluiting’ te baat genomen tijdens een grondige stofbeurt achter rij 81. Plank H: History of Egypt. Het waren de eerste boeken die hij bij naam kon noemen. Ze waren zijn vrijheid.

Leeg legde hij zich languit op de studietafels en staarde naar het glazen plafond. “Ik weet niet hoe je dacht dat ik die ging lappen, maar daar vraag je maar zo’n kunstenaar voor.”

 

Met Jordanese gewiekstheid had Bert zich onder vrijwel al z’n klusjes uit geluld. Z’n zaakjes regelen, het doordrong hem tot in z’n dikste vlees, maar vertrouwen had Bert er niet meer in. Niet alles was te regelen met een babbel die iedereen voorbij streeft. Met het leven valt niet te sjacheren. Maar gelukkig had hij wel de bieb. Die rare ruimte. Met die rare boeken. Met spreuken in gouden kronkelletters die in niets leken op de bordjes die zijn Lea boven de schouw had gehangen. Live Laugh Love, da’s tenminste duidelijk. Zoals Lea was geweest. Niet als een hal vol schrijvelarij waar je geen balpen mag gebruiken. Niet als een balzaal vol boeken waar iedereen op een iPad zit. Waar de naslagwerken achter groene gordijntjes staan, als kunststukken achter een lint. Ook die bieb begreep Bert niet.

Drie maanden gingen er voorbij. Liggend, rokend, huilend. Malend, over het abrupte in het leven waar geen gevatte grap grip op krijgt. Over het geleidelijke, waarmee hij was afgegleden. Over zijn vrienden die het zagen, maar niks konden, terwijl de kroeg een suggestieve troost bood. Over zijn werk, dat ook niet meer was. “Bij Bert zitten zelf wat draadjes los,” had hij nog horen zeggen.

 

Bertje van de Boomdwars, hij was niet meer. Niet meer gelukkig, niet meer op orde. Hij was een spook van de Jordaan. De gezellige straatjes waren hem nauw en grimmig. Op elk balkon zag hij verwijtende ogen. Tot hij niet meer kon. Niet meer mocht. Maar toch iets moest. En belandde onder dat hoge, glazen plafond. Boven die koude, stenen vloer die steeds een slagje witter werd.

Maar zoals rust verdiend kan zijn, kan rust ook knagen, als ze haar werk heeft gedaan. Dus was het in de vierde maand, dat Bert na zijn eerste sjekkie opstond van tafel, de trap op liep en keek.
 

Hij ging op zoek naar iets over Cruijff, of Hazes. Hij vond Chaucer, Hirst en andere moeilijke namen op oude, verweerde kaften. Gerafeld papier dat hem herinnerde aan een vers gerolde Drum Original. Enthousiast hijsend aan zijn smeulende schijnsel begon hij boeken open te trekken. Te lezen. Te zien. Dat de plek waar hij zich al weken wentelde in onvermogen, bomvol stond met mogelijkheden. Beelden. Visies. Van mensen die zich wél kunnen uiten.

En terwijl achter de History of Egypt de geschiedvervalsing is blijven lopen, zoekt Bert sindsdien naar de zijnen. Elke avond. Lustig, trots, met af en toe een lieflijke blik omhoog. Door de brandschone, glazen ruiten.

Jort van Dijk Audiotour