Jort van Dijk Hoogtevrees

Ik was even mezelf vergeten. Vrij impulsief had ik besloten het vandaag te doen, mijn bezoek aan het tijdelijke kunstwerk bovenop de Oude Kerk. Het idee – een soort tuin bovenop het dak – trok me in zijn rariteit. De rel – een kerk is hier geen plek voor, heilige huisjes en kunst en zo – vergrootte de interesse en ik dacht doodleuk: dat ga ik eens doen. Het besef kwam toen ik uit één van de smalle straatjes op de Wallen draaide en het witte plateau op de toch forse kerk zag liggen. Fuck. Ik heb gewoon hoogtevrees. Ik had erover gelezen, posters gezien, ik had zelfs verteld dat ik er heen ging en niet één moment had ik bedacht ‘Fuck. Ik heb gewoon hoogtevrees’. Gelukkig is het een behapbare hoogtevrees en ik wilde echt naar boven. Ik werd getrokken door het rare witte eiland in de lucht. Of eigenlijk dus: de witte tuin. The Garden Which is the Nearest to God. Een project van Taturo Atzu, een Japanner die vaker oude monumenten in een andere context plaatst.

Dat is ook wat hij wil op de Oude Kerk. Nieuwe ideeën oproepen door bovenop het gebouw te komen. En de zoektocht daarnaar begint kennelijk al onderaan. ‘De route naar het dak van de kerk is als een weg naar vergezichten en nieuwe inzichten,’ leer ik uit het programmaboekje. Allemaal leuk en aardig, maar de route naar het dak van de kerk is er ook één over wiebelende steigerdelen en trappen met treden waar je doorheen kan kijken. Het eerste stuk is nog wel te doen, maar zodra je bent uitgewenteld moet je oversteken naar het middelste deel van de kerk. Ik hou me vast aan een reling en loop over houten planken die, natuurlijk, wat doorzakken. Terwijl ik de plank bestudeer om mezelf gerust te stellen, zie ik ineens de kloof tussen de zijkant en het middenstuk. Die hebben twee aparte daken met daar tussenin een hoogteverschil dat mijn handen bezweet over de reling laat glijden. Ik kijk maar voor me uit, naar het witte eilandje dat er wat misplaatst bij hangt. Een soort zwevende bouwkeet op die mooie oude kerk.

En nog gekker dan het lijkt, is het, als je eenmaal aankomt in de ‘tuin’. En hoog. Het is ook hoog. Mijn blik weet niet waar ie heen moet. Er is het weidse uitzicht en er is die rare plek. Een volledig wit platform met een wit huisje en een witte zitkuil rond één van de torens van de kerk die uit de vloer omhoog steekt. Een onwerkelijk plateau.

Voorzichtig begin ik langs de rand te lopen en aan de Noord-kant komt de geur van knoflook opwaaien. Ineens besef ik beter waar ik ben. Wat er beneden ook nog is. Ik zie flats in Noord, de energiecentrale in West, het Rijks, de Zuidas, de Bijlmer. Het Centraal Station dat geweldig mooi is als je niet naar een trein hoeft te rennen. Er zijn verstopte strookjes IJ. Het is waanzinnig. Maar na een ronde of twee rijst de vraag: waarom? Want ja, vergezichten zijn altijd mooi. Maar dan kun je ook de Westerkerk op. Of de OBA in. Waar zijn m’n inzichten, meneer Atzu?

Ik had hem even bewaard, maar ik ga eens kijken in dat huisje. Een opening leidt je naar een halletje waar het nog naar verf ruikt. Linksaf kom je ineens in een kleine woonkamer. Een draak van een woonkamer. Simpele grijze bank, lichthouten kastjes van de Trendhopper, raar tapijtje en waxinelichthoudertjes van blauw glas in de vensterbank. Want er zijn ramen. Één naar de tuin en een ander naar de oostkant van de stad. Alweer dat geweldige uitzicht. Pas als ik even ga zitten en een oude tekening van de kerk aan de muur bestudeer, snap ik hoe het kan. Ik zit op het achterste deel van de kerk. Sterker nog, de windvaan die daar hoort te draaien, steekt dwars door de vloer en de koffietafel. Je bent in de vinexwoning waar je nooit wil eindigen. En je bent op een kerk. En de kerk is ook een beetje in de woning. Het is hilarisch en verwonderend. En eng. Als twee Britse mannen het gangetje in stappen, voel ik de ruimte een beetje schudden.

Reden dus, om te verkassen naar de zitkuil. Met je neus tegen de toren die normaal op eenzame hoogte piekt. Het uizicht is weg en ineens heb je er alle aandacht voor. Voor het dak met pannetjes die als pannenkoeken op een bord over elkaar liggen. De grote bel met een gegraveerde tekst rondom. Sierlijke tierlantijntjes. Details die je nooit kunt zien, maar waar mensen hard hun best op hebben gedaan. Ik kijk naar het hoogste puntje en dan nog verder en ineens zijn er alleen maar wolken. Alsof je op je rug in een weiland ligt, zo leeg. Pas als ik op sta is er weer een horizon. Een randje stad. Stap je uit de kuil dan glijdt ook de rest je blikveld in en weet je weer waar je bent. Midden in die mooie oude stad. Bovenop de drukke Wallen. Het oudste stuk, met huisjes die bijna over elkaar heen buitelen. Hoe verder je er van weg kijkt, hoe planmatiger de nesteldrang. En hoe meer cadeautjes. Er is de verkeerstoren van Schiphol. De zendmast bij Hilversum. Als een debiel draai ik rondjes op één vierkante meter. Daktuinen. Raampjes in rare hoekjes. Een Boeddhistische tempel. Een lelijk geel pand als een pushoop uit de jaren ’80.

Er is zo veel dat ik niet weg wil gaan. En de weg terug is wiebelend. Maar na nog een laatste blik stap ik de tuin uit, de trappen af. En ineens zie ik nog veel meer op het pad waar ik net toch ook al liep. De glas in lood ramen, stenen krullen als franjes langs de rand van de kerk. De verfijnde details van wat ‘de Huyschkamer van Amsterdam’ genoemd werd.

Eenmaal beneden is de zomerdrukte van het Oudekerksplein een klap in m’n gezicht. Tot het einde van de gracht slaak ik een paar diepe, welgemeende zuchten. Ik kom bijna onder een auto. Is het de hoogtevrees? Zijn het de mooie uitzichten? Ik kan mezelf niet duiden. Zoals de ervaring begon onderaan de trap, gaat ie nog door op de fiets. En wat moet ik hier nou eigenlijk mee? Is dit nou meer dan een uitzichtpunt? Het is op zo’n banale manier tof dat ik maar moeilijk toe kan geven van wel. Ja, het is boven alles indrukwekkend. Nee, ik kan niks met de tuin, God, of symboliek in die contreien. Maar het is raar, het is grappig en ik vraag me toch af of ik genoeg oog heb voor de tierlantijntjes in mijn leven.