Jort van Dijk Piepschuim

In het Stedelijk Museum staat een ballenbak. Een vader tilt zijn zoontje van een paar jaar oud over de rand. Volwassen mensen lopen eromheen met een twinkeling die is voorbehouden aan de parkeerplaats van de McDonalds: ‘Er is een ballenbak!’ Ik trek m’n schoenen uit, wip m’n benen over de rand en zak weg in het bad van piepschuim ballen. Witte, lichte ballen. Een mensenlijf zakt er zo in weg. In het midden van de bak staat een paal met een scherm en een koptelefoon. Een verklede man zakt weg in een poel van modder. Gortdroge geluiden in m’n kop. Ik glij. Voor ik het weet zit ik tot aan m’n nek in het piepschuim. Het jonge jochie staat op de rand. Hij lacht. Zijn vader lacht. Blij dat er eindelijk iets kindvriendelijks te doen is. Drukke geluiden. Een sleur aan beelden. Deze hele expo is een sleur aan beelden. Internetplaatjes. Filmpjes. Manga. Een ‘Best Of’ van internetrommel als een digitale paddotrip. Tumblr on speed in een ballenbak. Mensen bewegen, maar ik zie ze niet. De ballenmassa verschuift, de hoofden liggen te laag. We blijven net boven water. Maar de ballen worden zwaar. Ze zijn lichter dan in de McDonalds, maar ze drukken op je lijf. Beelden blijven komen. Vervormde stemmen spreken omineuze teksten die je snel weer vergeet. Langzaam wordt het volhouden. Watertrappelen. Het bad keert zich tegen je. De plezierige beelden, zoals ik ze dagelijks op m’n laptop zie, krijgen iets sneus als ze achter elkaar razen boven m’n hoofd. Hoog op het kansel. Ballen krioelen, ik kijk weg van het scherm.

Er staat een man bij de rand. Hij hangt vlak boven m’n hoofd en kijkt op me neer met die gretige McDonalds blik. Hij pakt z’n telefoon en maakt een foto. Een close-up van mij. Ik lig leeg, weerloos onder de ballen. In het witte licht van het beeldscherm.

Er staan meer mensen. Ze lachen. Ik hoor een vrolijk muziekje. Op het scherm zit een meisje. Echt mens, verkleed als manga. Ze trekt een wollen trui langzaam over haar borsten. Raar sensueel. En ik lig daar. Alsof ik een tabblad met porno open heb staan, maar m’n laptop al aan een beamer heb gehangen. 

 

Ik krabbel op. Weg! M’n benen over de rand. Naar de volgende zaal.

De omstanders weten niet hoe snel ze de lege plek in bad moeten claimen. We zijn hooked aan het scherm. Gretig naar beelden. Een stem over een speaker in de nieuwe zaal: ‘I don’t know where I am but I’m sure there is no way back.’